De bedoeïenen van Zuid-Sinaï

Sinai-October-28-2008-195
De Sinaï wordt van oudsher bewoond door groepen mensen die men tegenwoordig ‘bedoeïenen’ noemt. Het woord
bedu (de Arabische vertaling van ‘bedoeïenen) stamt af van badiya verwijzend naar ‘degenen die in de badiya leven’, het steppelandschap dat een groot deel van Noord-Arabië beslaat. De mensen die in deze droge woestijngebieden leefden met hun vee, werden met het woord badiya onderscheiden van de hadar, stadsbewoners.

Overleven in de woestijn

Leven in de droge, onbarmhartige woestijn is niet eenvoudig. Om simpelweg in leven te blijven moesten deze mensen zich continu verplaatsen. Met familie, vee, kamelen en geitenharen tenten trokken ze van bron naar bron, van graasplek naar graasplek. Het was een leven van schaarste en weinig materiële eigendom. Voor een groot deel waren de bedu afhankelijk van hetgeen hun geiten en schapen produceerden: melk en andere zuivelproducten, en wol. Soms jaagden of visten ze om aan voedsel te komen, en in een enkel geval werden groenten en fruit geteeld.

Door deze manier van leven, gericht op het overleven in de woestijn, ontwikkelde zich een hele eigen cultuur. Of beter gezegd: culturen. Bedoeïenen verspreidden zich over het Midden-Oosten en Noord-Afrika en elke stam en/of regio creëerde eigen varianten op de algemene gedragscodes die in de woestijn golden. Zo ook binnen Zuid-Sinaï, waar dialecten, sommige wetten, gewoontes en manieren van koken verschillen per bedoeïenenstam.

Sinaï’s stammen en clans

Iedere bedoeïen behoort tot zo’n stam, gabilla in het Arabisch. Deze stam is voor de bedoeïen wat voor velen van ons een land is. Dat wil zeggen: aan een groter geheel verbindt hij zich niet. Wel bestaat er samenwerking en overleg tussen verschillende stammen in de regio. Zuid-Sinaï telt er momenteel acht, met elk een eigen gebied. Langs de westkust vinden we van noord naar zuid de stammen Aleigat, Sawalha, Gararsha en Awlaad Sa’ied. In de hoge bergen in en rond St. Katherine wonen de Jebeliya. De Muzeina stam heeft binnen zuidelijk Sinaï het grootste grondgebied: een groot deel van de oostkust (van het zuiden tot aan Nuweiba) en een heel stuk van het achterliggende binnenland. Noord-Nuweiba en daarboven is Tarabin grondgebied. En tenslotte in het binnenland op die hoogte vinden we de Laheiwaet.

Tegenwoordig zijn gebiedsgrenzen tussen stammen niet zo belangrijk, hoewel we op het grondgebied van een bepaalde stam meestal wel meer leden van die stam aantreffen. In de tijden dat bedoeïenen een nomadisch bestaan leidden was territorium echter van groot belang. Het zorgde (tot op zekere hoogte) voor rust en veiligheid, want erbinnen konden stamleden ongestoord hun gang gaan. Leven in de woestijn zorgde al voor genoeg uitdagingen en conflicten over land konden prima gemist worden.

Leden van de Jebeliyyastam wonen al eeuwenlang in het gebied om de Mozesberg.

Leden van de Jebeliyyastam wonen al eeuwenlang in het gebied om de Mozesberg.


Dergelijke veiligheidsgaranties waren zelfs de belangrijkste redenen voor de woestijnnomaden om überhaupt aansluiting te zoeken bij een stam. In eerste instantie behoort een bedoeïen namelijk niet tot een stam maar tot zijn clan. Een stam is dan ook niet meer dan een verzameling onafhankelijke clans. In het verleden wilde het wel eens gebeuren dat zo’n clan zich afsplitste van de grotere stam en aansluiting zocht bij een andere.

Elke clan bestaat weer uit een aantal families, en zo’n familie is het best te vergelijken met hetgeen wij beschouwen als familie: het eigen gezin, ooms, tantes, neven, nichten. Van vaders kant. Dus: de familienaam van bedoeïen Mahmoed is Abu Keyla. Samen met vijf andere families vormt Abu Keyla de clan Waheibat. De Waheibat is één van de vier clans die samen de Jebeliya stam vormen.

Een platvloerse organisatie

Van oudsher hebben bedoeïenen geen leiderschap zoals wij die kennen. Vaak kun je in teksten lezen dat een ‘sheikh’ de leider is van een bedoeïenenstam. Dit klopt echter niet. Weliswaar heeft elke stam een sheikh (of meerdere), maar deze heeft louter een vertegenwoordigende of bemiddelende rol. Macht heeft hij van oudsher niet onder bedoeïenen. Het probleem is dat vandaag de dag buitenstaanders, zoals hulpverleners, sheikhs meer macht en verantwoordelijkheid geven, wat dikwijls tot corruptie, waaronder misbruik van ontwikkelingsgeld. Maar in werkelijkheid is de sheikh door de stam louter gekozen om standpunten, via consensus bereikt, voor te leggen, te verdedigen in overleg met andere stammen. Of, zoals tegenwoordig ook wel: als afgevaardigde binnen de Egyptische volksvertegenwoordiging. Binnen de stam vertegenwoordigt een ‘kabier’ – een ‘oudere’ – de clan. Ook hij overlegt te allen tijde met zijn achterban.

Kortom: in de oorspronkelijke bedoeïenensamenleving moesten alle overeenkomsten die een sheikh of kabier maken met andere groepen moeten acceptabel zijn voor alle (mannelijke) leden van hun eigen groep. Consensus was dus erg belangrijk.

De bedoeïenenwet

Enkel de wet staat boven alle bedoeïenen. Binnen de bedoeïenenmaatschappij is wetgeving dan ook de manier om orde en veiligheid – in zoverre mogelijk – te waarborgen. Dat was ook ooit het uitgangspunt: de bedoeïenenwet is (héél lang geleden) ontstaan en gevormd door de behoefte aan veiligheid, de wens te overleven in de woestijn. De bepalingen hierbinnen enkel en alleen zijn samengesteld om problemen op te lossen die waar de bedoeïenenmaatschappij door de natuurlijke omstandigheden van het woestijnleven mee te maken krijgt. Dit in tegenstelling tot veel andere wetstelsels in het Midden-Oosten, die religie (deels) als uitgangspunt hebben.

Bedoeïenenrecht werkt als volgt: de wet geeft een slachtoffer het recht om rechtvaardigheid te herstellen. Daarbij kan via bemiddeling of een proces compensaties worden geëist. Ook tegenover moord kan een ‘bloedcompensatie’ in de vorm van geld of goederen (kamelen) staan.

RSS
Follow by Email
Facebook